LAAKDALSE

WERKGROEP voor GESCHIEDENIS  en HEEMKUNDE

v.z.w.

HEEMKUNDE en GENEALOGIE in EINDHOUT - VARENDONK - VEERLE - VORST

Deze pagina bevat de verwerking van de registers der Schepenakten van de heerlijkheid Vorst, Vogelrije, Volkstellingen van Vorst (Kempen), Hof van der Gaelen, welke in het rijksarchief te Antwerpen kunnen geraadpleegd worden. Niet in elke register werden de pagina's genummerd, indien ze wel genummerd werden staan ze voor de datum.

Van de elfde tot de dertiende eeuw zagen de meeste lekenheren en grote, oude abdijen volledig af van de eigen exploitatie van hun verder afgelegen bezittingen. In die periode moet de overdracht van het klooster van Nijvel aan de familie Van der Galen gebeurd zijn van de goederen die het klooster in 877 van Karel de Kale in Vorst had gekregen. De familie van der Galen woonde op de ‘Borcht’, in een omwalde herenhoeve, ongeveer in het midden van de gemeente Vorst.

Voor de veertiende eeuw waren de Van der Galens over die vroegere Nijvelse goederen plaatsvervangend vertegenwoordiger geworden en bezaten zelfs het patronaatsrecht van de kerk en inherent hieraan de grote tienden of kerkbelastingen die door Jan Van der Galen later in 1320 en 1322 aan de abdij van Averbode werden afgestaan. Zij bleken te bezitten een goed van 54 bunder in twee delen verdeeld. Het Hof Van der Galen bleef juridische bevoegdheid behouden over haar goederen en bewoners ervan.

Het Hof Van der Galen hing af van de schepenen van de voogdij en hoofdbank Duffel. Als het hof een vonnis had geveld, konden partijen verder in beroep gaan in Duffel, het ‘overhoofd’ van het hof Van der Galen.

Die familie was niet van adel en de oudste vermelding dateert van 1320, toen Jan het tienderecht in Vorst overdroeg aan de abdij. Zijn zoon heette Adam, diens zoon Franciscus of Vrancx en tenslotte volgde Ludovicus op aan het einde van de veertiende eeuw.

Aan het eind van de vijftiende eeuw was Seger Van der Galen (Janszoon) heer van het Hof. Hij gebruikte in 1483 zijn eigen zegel om een oorkonde te bekrachtigen. Toen werden zijn leenmannen nog schepenen van Seger Van der Galen genoemd. In 1495 hield Seger in Vorst dertien bunder land in leen van de aartshertogen tot Oostenrijk die ook hertogen van Brabant waren. Dat gebied was gelegen tussen de Laak, de sheerenstraat en de Tongerlose beemden, eigendom van de abt. Na het overlijden in 1496 van Seger Van der Galen senior (x Sophie Heynerix), volgde zijn zoon Seger Van der Galen junior hem op. In de zestiende eeuw verdween de familie Van der Galen uit Vorst.

In 1602 verkocht jonker Govaert van den Ameyden de bezittingen van het Hof (hof, landerijen, lenen en cynzen) aan Jan van Hamme, die toen secretaris van Vorst was en voordien meier van het hof. Deze deed het vervallen hof herstellen en ging het zelf bewonen. Jan van Hamme deed ook het schrijfwerk van het Hof. Zijn zoon, Hendrick van Hamme, licentiaat in de rechten volgde zijn vader op in 1628 als grondheer en ook als secretaris van het Hof. Hij overleed in 1659 en werd begraven in het Sint-Gertrudiskoor. Zijn grafsteen is bewaard gebleven en ligt voor de grote ingang van de Sint-Gertrudiskerk. Neef van Hendrick, Melchior Moens erfde de hele nalatenschap. Hij vestigde zich ook op de Borcht.

Het hof Van der Galen hield ook jaargeding en vierschaar of rechtszaken, die handelden over betwistingen, achterstallige geldbedragen en grondbetwistingen.

De gronden die cijnsroerig tot het hof behoorden, waren verspreid over heel Vorst. Er waren gronden op Terboekt, Beustereinde, Steenbergen, het Schoutbroek…. De meeste goederen waren echter gelegen in het huidige Groot-Vorst.

Het hof Van der Galen had geen eigen zegel maar gebruikte het schepenzegel van Vorst om de akten te laten bekrachtigen, nl.’gemeyne zegelen ons schependoms die wij elcken in zijnen bedrijfve tsamen gebruykende zijn des onsen letteren aen gehangen.’ Eind vijftiende eeuw drukte Zeger Van der Galen, de heer er zijn persoonlijk zegel op.

Het hof Van der Galen had een beperkte macht. Dat blijkt uit een verklaring van de drossaard in 1732 betreffende een dispuut in verband met het gemeentehuis. De drossaard verklaarde over het hof Van der Galen dat ‘particuliere of smalle heren, die alleen recht hadden te goeden en te ontgoeden, geen kamer moesten hebben in stadhuizen of dorpshuizen’.

Wanneer een leenman van het Hof overleed, ging dat leengoed over op diens erfgenaam. Dan moest het leenverhef gebeuren. Omstreeks 1610-1620 kostte dat acht gulden voor heerlijk recht, twintig stuivers voor de stadhouder of meier, vier stuivers voor de griffier of secretaris van het hof en zestien stuivers voor de leenmannen.

 

(Uit ‘VORST GROOT EN KLEIN 877-1976’ door François Van Gehuchten)

Bewerkingen van
Hermans Julien
Bewerkingen van
Van de Ven Jos
 
 
 
 
 
 
 
 
   
     

Voor PDF-files heb je acrobatreader nodig.


  U kunt een e-mail met vragen of opmerkingen over deze website sturen naar
info@lwgh-laakdal.be.
Copyright © 2003 Laakdalse Werkgroep voor Geschiedenis en Heemkunde v.z.w.
Laatst bijgewerkt: 30 maart 2008